Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 346' )

één der merkwaardigfte verfchijnfelen van 'c geheele rijk der planten, [lier uit alleen hebben voomaame Verltanden het beftaan van een Opperwezen en verfcheiden van deszelfs' volmaaktheden op de trefFendfte wijze betoogd.

deugdlief. IMet verwondering waarlijk en medelijden mogen wij wel aangedaan zijn, over de dwaasheid van zulken, die in de twede oorzaken hangen blijven, en uit de zichtbare dingen niet opgeleid worden tot den Schepper, om dus uit de fchepfélen te verflaan, zijn eeuwige kracht en Godlijkheid (*').

ik. Zeker, mijn Vriend! 't is God, die het gras doet uitfpruiten tot dienst der beesten , en het kruid tot dienst der menfchen, doende het brood uit de aarde voordkomeu.

deugdlief. In het groeien van gras en kruid ontdekken wij Gods eeuwige kracht, en wijsheid. De oppervlakte , door de Vorst in den winter als gefloten geweest zijnde, wordt in de lente' door den wind geopend , en door den regen bevochtigd, terwijl de warmte der zonneftraalen het zaad van 't gras koestert en opent, en de groeikracht, door de beweging, die de warmte veroorzaakt, aanzet en verleevendigt.

ik. Over deze voordbrenging der kruiden en planten uit de zaaden moeten we de godlijke wijsheid te meer bewonderen, wanneer wij, door behulp van vergrootglazen, iij ieder zaadjen de ineengerolde fteng, of liever de beelderis der toekomende plant ontdekken , dat door voedzame fappen en de warmte der zonne uitgezet, zich eindelijk vertoont, en bij her doorbreken der aarde als het ware te kennen geeft: daar boven woont mijn Maaker! '• deugdlief. Menigwerf heb ik gedacht aan het bevel van God, dat hij op den derden dag van de fchepping der wereld aan de aarde gaf, zeggende: „ dat de aarde jonge „ kruiden doe voordfpruiten , die tot volwasfene kruiden „ worden, en zich met zaad bevruchten ; desgelijks vrucht„ dragende boomen , die elk naar zijnen aard , hunne ,, vruchten, en in dezelve hun zaad hebben, dat op de „ aarde vallei En het gefchiedde: de aarde bragt jonge „ kruiden voort , die opwiesfen, en zich met zaad be„ vruchtten, een ieder naar zijnen aard; midsgaders boo„ men, die vruchten droegen, in dewelken wederom zaad „ was naar hunnen aard." (f). Dit bevel lezende, dacht

ik 9

O Rouu 1:^20.

CU Gen, Ij 11 ,i2. volgends de vertaaling van michaelis.

Sluiten