Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 354 )

pijl de lucht doorklieft , zoo vliegt hij dezen dampkring, dien wij bewoonen , door : gelijk een nevel in de luehr, zonder eenige voetifappen na te laten, verdwijnt, zoo verdwijnt hij ook meestal eer hij zelfs begrip hadt van zijn wezen, en daar van iets aan anderen toonen konde. Even gelijk de Sterrekundigen, bij heldere nachten, nu en dan in onafmeetbare ruimten , die zij overal met hunne gedachten en oogen doorwandelen , eenige vreemde fterren fchielijk zien verichijnen en fchielijk wederom verdwijnen, zonder dat zij dezelve ooit te vooren zagen of kenden, en derhal. ven noch weten, wie ze zijn, noch de betrekkingen ver. ftaan, waar in zij ten opzichte van het heelal zich bevinden: zoo zien wij eenige veel belovende jonge menfchen kómen en gaan, geboren worden en fterven ,. zonder dat wij immer tijd of gelegenheid hadden , om volkomen te ontdekken, wie zij waren, en in welk eene betrekkinge zij, ten opzichte van deze aarde en van het geheele rijk der godlijke Voorzienigheid, geplaatst zijn.

Wij menfchen behoorden , omtrent het beftuur van den Alwijzen, nooit de bekrompenheid van ons verlland en van onze inzichten te vergeten; wij behoorden blijmoedig te berusten in de kennis, die wij hebben van onzen Maaker en van zijne oneindige volmaaktheden .—. en dus nooit, dan met eerbied, van de verborgene dingen fpreken, of daar in liever met een heilig ftilzwijgen berusten.

Intusfchen hebben fchrandere mannen reeds voor ons op de treffendlle wijze betoogd: dat een christen zoo lang leeft, als noodig is, om voorbereid te worden tot den overgang uit deze wereld en geen oogenblik langer.

Evenwel 'er blijven hier hoogten, die wij kortzichtigen niet bereiken kunnen, bijvoorbeeld: Een veelbelovend jongeling leeft in de groote wereld van God en, eer hij iet wc* zenlijk verricht, wordt hij weggerukt; was hij niet tot eenige oogmerken gefchapen ? zo ja, tot welke ? en zo hij

ze niet vervulle, mist dan God in zijne oogmerkent

Offchoon wij deze geheele tegendenking niet volledig kunnen beiindwoorden , zullen wij 'er echter zóó veel op zeggen , als noodig is, om de eer der godlijke Voorzienigheid alleszins te verdedigen. — Wij ftemmen volkomen toe, dat de groote God deze wereld, en alle andere werelden, tot zekere einden en met zekere oogmerken heeft voordgebragt; ook kunnen wij niet ontkennen, dat alle fchepfels van gelijken aard en natuur, van één geflagt en foort, in 't algemeen tot dezelfde einden eu oogmerken gefchapen zijn —•

maar

Sluiten