Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

( 373 )

Nu is het gezicht van mijn wijf mij onverdragelijk, ——

Ja! hoe langer hoe onverdraaglijker. Een derde zo»

wederom denken of zeggen, Geen wonder, dat mijn

Nabuur in alles gelukkiger is dan ik. Hij heeft ge¬

heel andere dienstknechten en dienstmaagden —— geheel andere Osfen en Ezels. — Mijn volk is of dom — of

lui 0f te zwak te ziek om te werken.

Mijn Osfen groeien of tieren niet, of zijn temmeloos •

ik weet 'er geen weg meê. — En mijne Ezels — zulke onhandelbareu zijn 'er niet. — Wat is mijn lot dan rampzalig terwijl mijn Buurman beste dienstboden — Osfen

en Ezels heeft. — Het leeven is mij in zulke ornftandigheden een last! —

Zulk eene denkwijs veronderftelde moses! —- En hadt Hij wel ongelijk ? — Toonde zijn volk niet in den hoogften trap en mate onvergenoegd van aard te zijn?— En — gelijk wij reeds opmetkten, — wat is het gros der menfchen meer eigen, dan de onvergenoegdheid ? — Leert de dagelijkfche ondervinding nog niet de verbaazende algemeenheid

van dat kwaad? — Lezer! raadpleeg uw hart! Wie zal

niet erkennen moeten, dat Hij ook aan dat voeteuvel meer

of min mank gaat ? Hoe groot zal zelfs niet wel die

menigte zijn,bij welken dit kwaad een ongeneeslijke — een

doodelijke ziekte is geworden? Hoe veelen zijn

'er niet, die, al wat eenes anderen is , beter achten, dan het hunne? —

Tegen dit kwaad nu wilde de Godlijke Wetgever, en za! ook moses waaken. — Dit verdient onze opmerking in het

bijzonder Men wil in onze dagen de wetten van moses,

en dus ook de achting van moses verkleinen, door den mond veel vol te hebben van het gebrekkige zijner wetten— Wij zijn van oordeel, dat hoe meer men zijne wetten beftudeerd, hoe meer volmaaktheid men daar in ontdekken zal.— Men meende dus,het was eerst een wet van het Christendom Aaa 3

Sluiten