Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 3o°4 )

woordfpeling; Ik verzeker u bij hem, die eeuwig leeft ri>sus acht de liefdeloosheid omtrent,eenen christen als Hef deloosheid omtrent zijnen broeder; en zal, wanneer hii komr om gerechte te houden, voor hem de partijopnemen, gelijk een tegengelteld gedrag, omtrent éénen zijner broederen! van hem zal beloond worden , zoo goed als of wij hem Va ven geholpen hadden. — Dit heeft jesus c h r. i s t ü< in zijne omwandeling op aarde verzekerd, en ten fterkften „n bet hart gebonden (*). Dat dan een ieder toezie, hoe hii zijnen broeder behandele. _ Deze onze broeder is te gelijk de Zoon van God Van wegens de liefde zijnes Zoons jegens ons, heeft de Vader ons ook tot zijne kinden aangenomen. Hoe moet dan de hemelfche Vader het opnemen, wanneer wij onzen medechristen niet liefhebben ? Voorzeker als eene belediging zijn kind aangedaan. Daarom, die zijnen broeder met hef heeft, heeft ook God niet lief.

De droevige ervaaring, dat veelen door dit alles nog niet bewogen worden tot onderlinge liefde, maakt ons zeer verlegen, wat wij nog zullen zeggen, om u, geliefde Lezer' van dezen ramp re bevrijden, indien gij mogelijk ook één van deze ongevoeligen waart. Hoe wenschten wij u w;j, te kunnen maaken! Dan wij vinden geen krachtiger dranirede, om u ter gehoorzaamheid te bewegen, dan wij'hehben aangevoerd Wij betuigen u bij al den rijkdom van genade, welke God door jesus u bewijst, bij de liefde tot uw eigen leeven, overdenk uwen pligt „benaarftig u denzelven, waak en bid zonder ophouden. Wilt gij, niet tegengaande God en jesus en uw eigen geluk u tot menfchenliefde roepen, voordvaren in uwe haatelijkheid, wij moeten u, als ongeneeslijk, opgeven. Dit ééne nog hebben wij te zeggen, dat jesus gezegd-heeft , wanneer hij kwam om loon „aar werken uit te deelen, met dezelve maat ons te

hebbënt0CtTtei1 ' deW£lke ^ °nZen "aaSCen gemeten

Ach! gij hebt dit oord verlaten, Waare liefde ! keer ei keer:

Heersch op nieuw in Neerlands ftaaten; Troost den droeven landzaat weêr;

Stuit gehaaten dwang in 't woeden;

Fnuik de boozen; fterk de goeden; Vel de drieste muitzucht neêr.

CD Matth. XXV; 3t tfi. Qf) Luc. VI: .8.

Sluiten