Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE V R TJ É

GODSDlÈNSTVilÈHD,

DE VERZEKERING VAN DE ZALIÖHEIÖ DER KRISTENEN.

waarde godsdienstvriend!

Ik vond onder mijne papieren eene verklasrihg óver dé woorden van pavlvs Rom. VIII: 35-39. — Dezelve" lezende, kwam mij voor, dat zij nuttig konue zijn,en daarom zend ik ze u ter plaatzing.

De geloovigen, die voorwerpen zijn der liefde des Hellands en zijns Vaders, zouden van deze fzegt paulus , niet gefcheiden worden, dat is, gebragt worden in een ftaat, jn welken kristus zou ophouden hen wel te willen en wel té doen ; maar integendeel hen zoo te vergeten , uit zijne liefde

weg te bannen , dat zij eindelijk geheel verloren gingen. ,

Hier omtrend vraagt paulus: wie' zal ons va,, die li fde feheiden? wie zal ons dat doen? dit is een tierlijïe (preektrant, door welken allerlei lotgevallen onder een perfoonsverr beelding worden voorgefteld, en dus ls het als of 'er Hond j wat zal ons fcheiden? wat zal ons overkomen, het ge;-n dit immer zou kunnen doen? Derhalven is, naar p'aülüs ftjjji deze vraag eene fterke ontkenning, even of hij ztidc i 1 iets kan dit doen; het is geheel onmooglijk; Kristenen, die eens van kristus bemind worden, blijven fteeds het voorwerp* zimer liefde. — En deze waarheid is op vaste gronden gevestigd. In het godlijk liefdepian is het hoofdeinde en alle middelen bepaald, volgends een wijs en tnagtig befluur ysi

3°- De gezegende menfchenvriend heeft zich verbon-

I" 2 den^

SY°. 23.

rom. VIII: 35—39.

Sluiten