Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van fpot en verhgting was, hoewel de honden zich zijns ontfermden en zijné wonden likten ; bij zijn fterven in het hemdscli Paradijs, in abrahams fchoot, werdt'overgevoerd om hemelfche vreugde te fmaaken. En wat-doch ziin de aardlche goederen, hoe rijk en overvloedig aan fommigen uitgedeeld V Zijn zij in de daad het geen zij wel fchijnen en waar voor een groot deel der aardbewooneren dezelve houdt? Hebben zij die waardij en kragten wel welke men meestal aan dezelve toekent? Zij zijn toch niet meer dan een hand vol Hof en aarde, ja op zich zelve , zonder op het gebruik van dezelve te zien, hebben zij weinig, of Geheel geéne waardij, .

Worden zij echter door hunne bezitters wel aangewend verflandig gebruikt en tot het meeste nut gebezigd, dan ontvangen zij eerst eenige eigenlijke waardij en kunnen van pewenschtc uitwerkingen zijn.. De goederen dezes leevens zijn toch vlugtige en fehielijk voorbijgaande goederen, waarover God de menfchen, (legts voor eenen korten tijd, als huishouders gefteld heeft; welken zij ten meesten voordeel, ter eere van den Schepper, ter volmaaking en vreugde hunner medemenfehen en ter bevoordeling van hunnen eigen wel, ftand vernuftig en vera'ndwoordelijk gebruiken zullen. Kan het den gierigen rijkaard wel in eenige opzigten iet baaten dat hij, overvloedig met de goederen dezer aarde bedeeld, dezelven verduistert, in een zweetdoek gewenteld, onder de aarde begraaft, of hij fchoon nu en dan de verborgen plaats bezoekt en met bange vreeze aan zijnen afgod denkt benauwd wegens het gevaar., dat de dieven hem weg fteelen zullen, terwijl hij, daar de wereld geheel geen nut van zijne bezittingen heeft, zelve daardoor gekweld en gefolterd wordt. Zo worden zijne fchatten hem pijnigen, verftoorer van zijne rust, moordenaars van zijn eigen leeven,en <^etuigen tegen hem in den dag der algemeene verandwoording.

Niemand intusfehen befluite uit dit beweerde en uit het bijgebragte voorbeeld van den rijken man, dat die genen het recht en alle zekerheid aan hunne zijde zouden hebben, die in de ïjdele gedachten ffaan, dat men de aardfche goederen en wereldfche fchatten voor geheel niets agten, dat men ze als zoo gevaarlijk fchuwen en liever geheel wegwerpen moest,-wijl zij den mensch zoo dikwijls verleiden en in 't ongeluk ftorten. Een uiterfle zoo belachlijk als fchadelijk. Zij zijn veelmeer gaven. en.gefchenken Gods en middelen om ons ook tot ons geluk te voeren. Zij behooren tot dit vlugu^ leeven, en worden door den Albefhiurdér naar wijsueid en liefde uitgedeeld, al is het dat de brooze mensch,

zoo

Sluiten