Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fierve'. ijdelheid en leugentaal doe verre van mij zijn, armoede noch rijkdom geef mij niet, voed mij niet het brood mijr.s befeheiden deels: op dat ik fat zijnde, u dan niet verloochene, en zegge t IP'ie is de Heere ? Of dat ik verarmd zijnde, dan niet jteele en den naam mijns Gods aantaste. (*) De Heiland leerde, dat wij bidden zouden: geef ens heden ons dagelijksch brood! Waare vergenoegzaamheid blijft een fieraad der Kristenen, en doet hen uit een ruim hart met paulus zeggen: De Godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging; want wij hebben niets in de wereld gebragt, en 't is openbaar,dal wij ook niet kunnen iet daar uit dragen: maar als wij voedzel en dekfel hebben , wij zullen daar mede vergenoegd zijn. (i) Uitwendige be» hoeften en veele armoede, wij ontkennen het niet, vinden in de wereld bij veelen plaats; doch houden ons ook verzekerd, dat de weinigflen buiten hunne fchuld ouder de.behoeftigen moeten gerekend worden. Wantrouwen op Gods voorzorg, fchandelijk pligtverzuim, onverandwoordlijke traagheid en nalatenheid berokkenen te dikwijls gemis aan het noodige, en brengen behoeften aan. God verbindt zijne gunstbewijzen met den noesten vlijt, en belooft den arbeid der handen rijkelijk te willen zegenen. En gebeurt het al ook, dat men fehamele armoede en behoefte in de woouingen dier genen aantreft, die biddende,vlijtig en werkzaam zijn,en die, ondanks alle hunne aangewende poogingen, onder zulken druk zuchten; zoo leert de H. Openbaaring des niet te min, dat God daar bij wijze en heilige redenen heeft, dat zijne regeering, ten hunnen aanzien, wel onnavorschlijk,toch heilig en goed zijnde, hij het hun toch ten laatften wel en voorfpoedig zal laten gaan. Hun gaat een licht op in de duisternis; zij ïnogen treurig zijn bij het zaaien, vreugde zal toch eens den oogst verzeilen. Nooit zijn zij van God verlaten, die kinderlijk: op hem vertrouwd hebben. Zij mogen bedroefd zijn en eenen tijd lang weenen,hunne treurigheid zal toch blijëindend worden. Eeuwig is hun geluk en heil toegezegd.

Onvergeeflijk dwaas moet het dan geoordeeld worden, dat deze wereld, de bedeeling en het lot der ftervelingen, niet onder het wijs beduur eener algenoegzaame voorzienigheid bedaan; of dat de Godheid wilkeurig en in het onzekere ■met de aardelingen en de waakende voorzorg over het heelal niet in elks behoefte voorzien zoude. Geen dier, hoe kleinen gering, leeft'er, waar voor niet de natuur haaren rijken fchoot opent, om in zijne behoefte te voorzien. Het geen éénmaal wierdt, beflaat een plek op dien grond, waarop

fV) Spreuk. XXX: 7,8,9. (f) • T*f> V-i M-

Sluiten