Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C =58 )

handelingen te vinden is. De volkomenheden Gods weiké I God z-elven zijn , kunnen onmogelijk onder'eikanrieren'gedeeld' of ftrijdig zijn. God. kan zich nooit tegenfpreken, eii alles moet aan de volkomenheden van zijn eeuwig'en heilig wezen beandwoorden. God kan zich niet overijlen , en 't kan hem nooit aan genoegzaame doorzigt, aan wijsheid ontbreken, hij kan zich nooit tot een or.god maaken. Hij is a.lgenoeg-. zaam, dns moet hij, al 't geen volkomenheden" heeten kan , on eindig volmaakt bezitten. Zijne -regeering moet altijd de beste en alle zijne handelingen onberispelijk blijven. God. die de geheele natuur kent. haar Schepper en Heer is., vertegenwoordigt zich op eenmaal, (mogen wij eens van God zoo mcnschlijk «preken ) en té' gelik de geheele natuur ziet, weet en kent alles op. het-nauwst, regeert in dezelve alles naarde gronden van wijsheid, en bezorgt, dat in het geheel en aanëengefchakeld vérband dezer wereld allerbijzonderst der menfchen geluk, en dus zijne eere bevoorderd wordt. Is dit zoo, hoewel wij kortzigtige menrchen dit niet altijd eerbiei dig genoeg bedenken, dan kunnen wij veilig in God en zijne werken berusten, en daar uit befluiten, dat zich, in 't geen ons oog verborgen is, de hemclfche wijsheid aan'bidlijk vertoont ; ook dit ontdekken wij middagklaar daarin; dat Godniet aanftonds de zonden aan den godioozen ftraft hoe zeer' de lieer geen lust aan het booze hebben kan. '

God jlraft. niet aanftonds het booze in deze wereld, en zulks is ten heogften beftaanbaar met zijne volkomenheden, in het bijzonder befchouwd. Zulks is ten vollen overeen' komflig met zijne goedheid en liefde. Dat God deze zijne volkomenheden duidelijk heeft laten zien , betuigt het heelal het fchepfelendom. God, die voor zich noodzaaklijk beftaat, en het niet mogelijk is, dat hij niet zoude beftaan, behoefde geene beftaanlijkheden, buiten zich, en dus was'er geene noodzaakiijkheid; dat een wereld buiten hem aanwzig ware, zij hadt in een eenwig duister en niet kunnen blijven, fchoon God in zich algenoegzaam, eeuwig volprezen en oneindig gelukzalig bleef. Hij wilde weldoen, volkomenheden medsdeelen , genietingen verfpreiden en zich openbaarer*. aan wezens, die beftaan en eene Godheid verëeren konden; ten einde zij gelukzaligheden-, zoo veele als met hunne bepaaldheid ftrooken konde,mogten ontwaafen.Deze volmaaktheid kan God niet verlochenen, daarin toont hij zich ook werkzaam aan den boozen, te midden zijner euveldaaden en verkeerdheden. Dagelijks kunnen wij daar van de bewijzen ssien. Zal God moeda worden en ophouden kunnen, om goed

19

Sluiten