Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 300 )

hasst wordt dit mija lichaam, uwe behuizing, een roof der wormen.

Ik wil traanen f!orten,ik wil weenen — maar waar toe? tan ik — zal ik weenen om mij ongelukkiger te maaken ? zullen mijne jammerklagten mij aan de armen van eenen pnbarmhartigen dood ontrukken? mij van het verderf redden en mijn leven fpaareu? Kan mijn geween mij gewin ▼erfchaffen? Zal mijne pijn geftjld en zullen mijne fmarten daardoor verzacht worden? of zal ik den hemel, zoo vaak door mij vergramd , bevreedigen en een goeden uitllag daar door erlangen kunnen? Wel aan, mijne oogen! ftort dan heete traanen! maar welke' en waar door veroorzaakt? ftort traanen! rechtgeaarde, zuivere, ongeveinsde boetJingstraanen.

ik zie mij aan de open deur des naaren grafs flil heenen geleid — en aan den drempel der onuitblijfiïjke eeuwigheid als een fagtfchaap gevoerd — waar mijn lot voor ééns, onherroeplijk , onvenind.rlijk en voor eeuwig zal beflist worden - aan den fmallen rand des doods geweld .— Welk eene kleine en geringe afdand Hoe nabij 't rijk der afgestorvenen en der geesten? Uoe weinig tusfchenruimte , hoe weinig ademtogten blijven nog overig ? Vlugge tijdliippen ! ja vlugger dan de fnelling eenes vogels! Hoe weinige pols;agen? Het benepen hart weent,

klopt, wordt gefchokt, gevoelt hevige aandoeningen .

«pnbefchrijflijke grieving — ó het naare graf! Houdt op gij onverzadigde ontruster, ó graf! waaraan gij ó dood! zoo talloos veelen ten prooi en verfchrikkinge overgeeft! wreediart, ó dood! die zoo veele duizende verflindtü! maar bedaard befchouw ik u uit een ander oogpunt; gij ó 4ood! bevoordért kalme rust, voedt en bveekt kinderen voor. anfterfiijkheid. Nemende geeft gij, vloekende deelt gij zegeningen uit! Wat zou mij toch een fchamper verwijt hier bij baaten kunnen? He dood , een dienaar des Afe magtigen, richt wel veele verliooring aan, maar gehoorzaamt de wenken zijns Keere, en volgt zijn bevel. Ten krijg. in overwinning uitgerust, wederitaathem niemand. Ook ik

zal

Sluiten