Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C3QI )

zal zijn geweld en arm niet ontduiken; ook op mij heeft hij een zeker eigendomlljk recht. Hij rooft mij echter niet alles ; hij verplaatst mij llegts in een ander beftuur; ontnei mt mij hier wel het genot des vlugtigen tijds, maar leyert mij aan de eeuwigheid.

Hoe grieft mij; hier een nieuwe wond ? verdienen dwaasheid en onrecht ftraffen, eeuwige foltering,pijn en finarte;)? wee mij dan! daar ik een zondaar, een groote zondaar ben ; ook hier van ken ik mij niet vrij. Beflist de veege dood alles, ook mijn eeuwig lot als ik fterf. — ik ben een misdoener, die veelvuldig, onwetend, dikwijls met opzet, achter pen gedwaald en gezondigd heb — kunnen traanen helpen , ik zal bedroefd zijn1;ik gevoel het in mijn, zoo zeer beangst hart. Zonden moeten iets zedelijks kwaad ziin, wijl de Godheid door dezelve vertoornd wordt. Ik gevoel haare beeten, haare flagen, worde ontrust, mijn benauwde geest en, belemmerde borst zoeken ruimte, ontlasting!!

Mijn inwendige rechter wekt en roept mij hervoor, en vertegenwoordigt mij zelfs het kleinfte onrecht, mijne euveldaaden. Ik aarfel om tot zijn onpartijdige rechtbank te naderen , wijl ik mij mijner boosheden bewust ben. Mijn vonnis is alreeds opgemaakt; de uitvoering is nog toekomftig en blijft niet uit. Zal 'er dan geene genade, vermindering, geene volle vrijfpreking te verwachten zijn ? Wie zal mijn rechter zijn,en hoe zal ik voor hem beftaan? Heeft hij lust aan 't gericht en de ftrafoefeningen van ellendelingen, die zoo bitter lijden moeten? Wie ben ik, en wat is mijn lot? Ik heb zoo veel kwaads bedreven, zoo, veel goeds verzuimd en tallooze weldaaden verreukeloost , veele onfchuldigen met opzet geërgerd, veelen met kwaadc voorbeelden bedorven 5 en wat moet het rampfpoedig gevolg van mijne wangedragen voor mij , en mogelijk voor veele duizenden zijn in deze wereld, als ik niet meer leeven zal? Veelen zullen misfchien met een fnerpend verwijt en met een rechtvaardig afkeer aan mij den ken, als de aarde reeds mijn ftof dekt, terwijl anderen mij met hunne vervloekingen tot in de Eeuwigheid onder het naare weekermen verzeilen zullen i

Pp 3, Dat

Sluiten