Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 338 )

(jusus bedoelde den tempel zijns lichaams,) in drie da* gen afbreken en wederom opbouwen; zoo zeide een ander gehoord te hebben: dat hij gezegd hadt, ik zal het doen. Dan eens befchuldigde men hem van Godslastering, dat hij zich voor een Godlijk perfoon , ja voor God zelven uitgaf en meer andere befchuldigingen, welken, of in het geheel niet eenige betrekking tot deze zaak hadden , of ten minsten als niets^geldende moesten geoordeeld worden. In plaats dat men deze onvoldoende getuigenisfen als niets bewijzende, aanftonds zoude afkeuren, zweeg men Itil, fcheen de in 't oogloopende tegenfhïjdigheden niet op te merken, men hoorde ze als bezwaaren aan, men veroorloofde aan de dienaaren voor den rechtbank allerlei ongeregeldheden en men dulde, dat de onfchuldige geflagen en mishandeld werdt. Met één woord, de Priesterfchaar en rechtbank, de getuigen en befchuldigers, roonen al te zaam middagklaar, dat zij hier de zuivere onfchuld verdrukten en fnood fchandvlekten. Maar hoe gedroeg zich in dit alles de grootmoedige Godszoon ? Als een lam ter flagtbank gevoerd , deedt hij zijnen mond niet op ; daar hij, wanneer het op de eere zijns Vaders, en Op de bevoordering van het Godsrijk aankwam , altijd Vrij uit , onaangezien hij daar bij veeltijds allerlei verguizingen en mishandelingen te duchten hadt , naar waarbeid zich verklaarde, en in alle flukken duidelijk bewees, dat hij, om aan de beftemming zijns Vaders te voldoen, zijn leven niet te dierbaar fchatte , om het voor het welzijn der wereld heen te geven, en dat hij zich niet ontzag om zijne vijanden, altijd in zachtmoedigheid, hunne dwaasheid, vooroordeelen en boosheid onder 't oog te brengen, en de bewijzen van zijne Godlijke hoogheid , te midden zijnerdiepe vernedering zelf, aan den dag te leggen. Zoo gedroeg hij zich ook hier voor de geestlijke rechtbank Bij de grootfte, hem aangedaane mishandelingen zweeg hij; nietswaardige befchuldigingen hoorde hij met de verdiende ver- " ontwaardiging aan , uit hoofde dat zij zich zelven tegenfpraken en geene beantwoording behoefden , gebruikende flegts een woord op zijnen tijd. Even zoo geduldig hij zich gevangen nemen en naar jerufalems heillooze gerichtsplaats voeren liet, even zoo langmoedig hoort hij de valfche betichtingen van ontaarde en omgekochte booswichten aan , die onder zijne oogen en ooreu de ééne ongerechtigheid op de andere ftapelden. Onverfchrokkenheid en geduld kenmerken intusfchen hem, die medelijden met ongelukkigen

Sluiten