Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 334 )

„ niemand ontzien; ook was mijne leer en vooi'dragt niet „ van dien aart, dat ik dezelve, als gevaarlijk en verlei-,, dend , in de hoeken en in flilte , om dus duisterlin„ gen te gewinnen en gemaklijker mijn oogmerk te be„ reiken, onder menfchen die oproerig van aard en fcheu„ ringziek waren, heb behoeven te prediken; ik heb al„ tijd vrij uit, zonder eenige menfchenvrees. van mijne goede zaak bewust, aan allen, zonder onderfcheid, wien „ het om waarheid en deugd, en dus om het geluk te „ doen ware, den besten en veiligften weg aangewezen, „ om hen eens kinderen van mijnen vader, te doen wor,, den , en hen daarom hier in het Godsrijk zoeken in te „ lijven; ik heb mij des Euangeliums niet gefchaamd, ,, om alöm gemk en wezenlijk heil te verfpreiden; daar» „ om heb ik geleerd in de fchool en in den tempel, „ daar alle jooden bij een komen , waar van zij niet 011„ kundig waren," Ook hadden zij zeker berigt, dat hij reeds in zijne vroege jeugd, twaalf jaaren oud, in het midden der Leeraaren (*) in de Sijnagoge naast den tempel, waar in de Joodfche meesters gewoon waren te onderwijzen cu de patriarchaale Schriften verklaarden , door zijne verlegen ouderen werdt aangetroffen, alwaar hij vraagde en andwoordde Wisten zij ook niet dat hij het was, die, ziende dat zijn's Vaders huis tot eenen moordenaars kuil en fpelonk gemaakt werdt. de koopers en wisfelaars uit den tempel verdreef; dat hij het volk voor de Pharifeeuwfctae leer, zoo zielverdervend, waarfchou. de , ten einde den zuiveren Godsdienst te herftellen en de wereld daadlijk gelukkig te maaken. Dit deedt hij openbaar in fchool en tempel, ten aanhooren en onder het oog van zoo veelen; dit deedt hij waar veele fooden kwamen; en aki d in het openbaar; dit deedt hij daar," waar veelen zich lieten ■ vinden, enkel uit nieuwsgierigheid om hem aan te hooren, anderen om hem te bewonderen en door hem onderwezen ; terwijl niet weinigen zich daar vervoegden, om door list en boosheid r.angefpoord, op zijn voordrag! en {tellingen te letten ea hem in fbrikken te vangen,

Kon-

(*) Is het wel denkelijk, dat jf.sus, als Leerling, zich raidden onder d<ü'Leeraars zotüe geplaitst hebben? ls hei niec meer waarfcliijnlijk, dat de Leeraars, zijn weetltist, leergierigheid en voorbeeldige lchramierheid bij zijn andwoorden en het opperen van zwaarigheden bemerkende, hem deswegen van andere Leerlingen afzonderden , ein. ?

Sluiten