Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 344 )

ongeregelde zelfliefde ons trachten te overmeesteren. Wismand denké dan dat hij fterk genoeg, boven alle verzoekingen verheven, en in ftaat is om alle de verzoekingen te voor-" zien, alle verleidingen tegen te gaan en volkomen te overwinnen! De zonde, welke men begaat, komt den mensch misfchien in het begin klein en niets beduidend voor, maar wel rasch overheert zij hem, wanneer hij niet op zijne hoede is, en dezelve kracbtdaadig zoekt te wederftaan. Elk leere door de fchade van anderen tot zijn eigen heil wijs worden! Kon petrus zich dat groot gevaar in het paleis van cajaphas Wel verbeeld hebben; meende hij niet fterk genoeg re zijn, om gerust en veilig aan zijne nieuwsgierigheid en begeerte te kunnen voldoen, zonder eenig gevaar te vreezen; kon hij wel denken dat het gering gefprek met de dienstmaagden hem ten diepen val zoude ftrekken? Ondervindt hij niet dat het dwaas is,altijd de beste gedachten en de grootfte denkbeelden van zich zelven te voeden ? Konde hij wel denken, dat hij zoo ligt en ongevoelig van de eene tot de andere zonde zoude overgaan? Hij ontkent, zweert en gaat tot zelfs vervloeking over. ó! Dat men zich dan niet veröorloove de eerfte trede op den zondenweg te doen, hoe verleidend, fchijnfchoon en bedrieglijk de eerfte aanzoeken en verlokkingen ook zijn mogen! Eene, en de eerfte ftap op den zondenweg gedaan, wordt de tweede minder moeilijk, eene derde gemaklijk, en de volgende worden gewoonte, hebbelijkheid en heerfchende neigingen; wijl 'er weinig tijds van nooden is om een afvallige, een zondaar, een groote booswicht te worden.

Dat wij dan allen op onze hoede zijn ,ftaande, zorgvuldig Zijn dat wij niet vallen! dat wij dan allen, waakend en biddend altijd voorzichtig en op ons waar geluk bedacht zijn,en den Heere bidden, dat hij ons niet in verzoeking leide, en.daar in komende, dat wij fteeds gelukkig zegevieren! Laten daarom ook de kennis der zonden en haare indrukken op ons hart gemaakt, ons beftendig dienen tot waakzaamheid, zorgvuldigheid en dagelijkfche boetvaardigheid. Voor zulke zondaaren is bij God genade, op zulken wordt het grootmoedig oog van den Zondendelger geworpen, hetgeen het hart gevoelig treft, doorweekt, tot overtuiging, treurigheid en bekentenis voert, en met petrus boetvaardig en berouwend doet traanen ftorten.

T« Amfteldam;, bij M. de BRUIJN, in de Wanuoesftra-V

Sluiten