Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE V R IJ E

GODSDIENSTVRIEND.

SY>. 49.

Zijn ze niet alk gedienjïige geesten, die tot dienst uitgezonden -worden , om der geenen wille die de zaligheid beërven zullen ?

HEBR. I: 14.

OVER HET AANWEZEN DER ENGELEN.

GEACHTE GODSDIENSTVRIEND!

Met een fireelend genoegen dacht ik weleer, aan de aanwezenheid der Engelen , de gelukzaligheid van het Opperwezen, ook in boven mij verheeven fchepfelen, die onfchuldig, die welgevallig in Gods vlekloo» oog zijn, uitgebreid te zien. ó! Dit verrukte mij; mijne verbeelding , aangemoedigt door de gewijde Schriften , fchilderde mij de Engelen , als vriendfchaplijke , door de zuiverde liefde gelukkige wezens, waar mede I. Ccc ik

Sluiten