Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

C 393 )

bezintuigde mensch buiten het gebied der zinnen, hoe zal hij van den onzichtbaren God een denkbeeld vormen , indien hij aan de grenzen der zinlijke wereld geene wezens aantreft , meer geestlijk dan hij ; maar die op zijn geestelijk beginfel (laat ik mij dus eens uitdrukken ) werken, hem tot afgetrokken denkbeelden bekwaam maken, en hem dus tot God geleiden? want zijn'er Engelen aanwezig dan verrichten zij ook de nuttigde de heilrijkde bezigheden. O.n de bewooners der Aarde alleen, behoefde God zeker, zal men zeggen, geene Engelen te vormen; maar indien wij op zulk eene wijze voordredeneeren, dan verdwijnt alles, en het Opperwezen behoefde niets te fcheppen. Maar wie zal de verfcheidenheid in Gods werken bepalen? en ook deze zal onder de Engelen heerfchen , zij hebben voorzeker onderfcheiden beflemmingen en bezigheden. Doch die Engelen of die wezens, waar van den mensch zich zoo geheel natuurlijk een idee vormt, die wezens zijn voorzeker gefchikt om op ons te werken, als de beste middelen die aan Gods volmaakt verdand, tot bereiking van zijn oogmerk het eenvouwigst voorkwamen. Zij waren die kinderen Gods die bij de geboorte der aarde juichten, terwijl zij een nieuw toneel voor hun geopend zagen, om den volmaakten wil des Eeuwigen, ook daar te volbrengen. Ja , zij juichten en roemden den Schepper, toen deze wereld voor zoo veele duizend fchepfelen ten woonplaats uit de onaanwezenheid opbloeide, en volgends het volkoomenst ontwerp, zich naar de onfchendbare natuurwetten ontwikkelde. Eer nog het licht tot een middenpunt verzameld was, toen fchitterden Gods Engelen als blinkende morgendarren door de fcheemeringen die over den Bijert zweefden. De gewijde Bladeren zeggen ons niets van de fchepping der Engelen; maar ook dit was onnodig ; de gewijde Bladeren zijn tot nut van redenmagtige, uit geest en dof faaingeftelde aardbewooners gefchreven; zij leeren ons, dat God de Schepper van het Heelal is en dus ook van de Engelen. Die Eladeren, fpreken

Sluiten