Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING. xix

•gedeelte (gelijk schultens in zijne aangehaalde voorreden zegt,) openbaare fpooren van een' Verzamelaar aan den dag legt; zo dat men gisfen mag, dat hetzelve in laater tijd bij het Dichtftuk gevoegd is, wanneer het in den Canon der Joodfche Kerk wierd aangenomen.

Deeze opmerking brengt veel toe om het bewijs te ontzenuwen, het welk uit deeze gedeeltens van het boek tegen deszelfs oudheid konde te berde gebracht worden. Te weten de bijzondere vertooning, waarin God verbeeld wordt als op de rechtplaats zittende om het recht te wijzen , omringd door eene groote lijfwagt van hemelbewooners, en de Satan werdt ingevoerd als een achterdochtig nafpoorer en aanbrenger van verborgen misdaaden, wien vervolgens door Jehova gelast wordt, om Job, ter beproeving van zijne ftandvastigheid en deugd, met zwaare onheilen te plaagen, zo hij hem flechts het leven fpare; zulk eene verzinning,zeg ik, waarvan geen fpoor is in de oudfte gedenkftukken ; vooral ook de uitdrukkelijke zending des Satans, welk wezen in de boeken, voor de Babijlonifche gevangenis gefchreeven, niet voorkomt, vertoont een klaar merk van later tijd; en is geheel ** a en

Sluiten