Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. R 3

9 „ Maar is het dan om niet, " zeide de Satan hierop , „ dat Job zulk een godvruchtig

10 „ man is? Hebt gij niet hem zeiven , zijn „ huis, en al wat het zijne is in uwe be„ fcherming genomen ? doet gij niet alles wat „ hij doet welgeiukken? en breiden zich zij„ ne kudden niet uit door geheel het land?,

11 „ Doch (trek uwe hand maar eens uit, om „ zijne bezittingen aantetasten ; dan zal hij „ u voorzeker in uw gezicht laten varen.

12 „ Welaan dan " zeide hierop Jehova weder tot den Satan , „ alles wat hij heeft zij in „ uwe magt , zo gij maar aan hem zeiven „ uwe hand niet flaat." En hierop ging de Satan van Jehova weg.

X3 Op zekeren dag nu, dat zijne zoonen en dochteren eene vrolijke maaltijd hadden in het huis

14 van hunnen oudften broeder, kwam er een bode tot Job , die hem de volgende tijding bracht: „ terwijl de osfen ploegden , en de „ ezelinnen niet verre van hun graasden , vie-

15 „ len de Sabeërs op dezelve aan, en namen , ze weg; zij floegen daarbenevens de knech-

A 2 „ ™

Sluiten