Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IO HET BOEK JOB. III.

13 Anders zoude ik nu nederliggen, in ftilte heen¬

gezonken ;

Slapen zoude ik — Dan had ik rust —

14 Bij de Koningen en Machtigen der aarde, Die zich prachtige gedenktekens hebben opgericht ,

35 Of bij Vorsten, die zo veel goud hadden, Die hunne paleijzen met zilver hadden opge* vuld.

16 Dan was ik , als een verfchoolen misgeboor¬

te, niets geweest, Als een der kinderen , die nimmer licht za-« gen. -

17 Daar houden de geweldenaars op met woe¬

len ;

Daar rusten zij vermoeid en krachteloos.

18 Daar hebben de {laven eene volkomene ruste, En hooren de femme des drijvers niet.

19 Daar zijn kleinen en grooten dezelfde ; Daar is de {laaf vrij van zijnen Heer.

20 Waarom fchenkt [God] het licht aan de ramp*.

fpoedigen, Het leven aan de bitter bedrukten?

21 Die

Sluiten