Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. VI. 19-

,3 Want nu is die zwaarder, dan het zand van de zee,

Daarom [weerhoudt u niet] mijne bruifchende klagten;

4 Want tegen mij zijn gericht des AJmachtigen

pijlen,

- Welker brandend vergif mijnen levensgeest uitzuigt:

In llagorde ftaan tegen mij de verfchrikkingen Gods.

5 Zal de woudezel balken bij het gras? Zal de os loeien bij zijn voeder?

6 Wie eet laffe fpijze zonder zout?

Is er fmaak in het fap van een geureloos kruid ?

7 Zo ben ik af keerig [van den troost, dien men

mij opdischt.] 't Is als verdorvene fpijze; ik raak haar niet aan.

8 Ach dat ik zage aankomen 't geen ik be-

geere !

Dat God gave 't geen ik verlange !

9 Dat God toegreep , en mij verbrijzelde!

B 2 Dat

Sluiten