Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. VII. S5

10 Hij keert niet op nieuws te rug naar zijg huis ;

Zijne eigene plaatfe erkent hem niet meer, fl Nu dan zal ik ook mijnen mond niet be* dwingen ;

Ik zal fpreken in den angst mij nes harten; lk zal klagen in de bitterheid mijner ziele. '£2 Ben ik eene zee , die. Gij beperken,

Een zccmonfter, dat Gij moet afweeren?

13 Als ik zeg: mijn bed zal mij vertroosten; Mijn leger zal mijne klagte zich aantrekken;

14 Dan verfchrikt Gij mij met droomen; Gij ontftelt mij met gezichten:

Ï5 Zo dat ik mij liever de verworging verkieze, Den dood verachte, bij dit mijn [ellendig] gebeente.

16 Ik leef toch niet eeuwig: daarom laat mij met

rust!

Immers [vervliegen], mijne dagen als een damp.

17 Wat is de mensch, dat Gij hem zo groot acht, Dat Gij ter harte neemt u tegen hem te verzetten ?

B 5 .18 Dat

Sluiten