Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2<5 HEI BOEK JOB. VIL

% 8 Dat Gij hem eiken morgen [met rampen] be-» zoekt;

Ieder oogenblik hem [door onheil] beproeft? ♦ÏQ Zult Gij dan niet eens Uw oog van mij aft wenden ;

Mij zo lang geen rust laten, dat ik mijn fpeekfel kan doorflikken? 20 Heb ik gezondigd ? Doch wat misdeed ik ■ aan U,

Gij waarnemer der menfchen ! dat ik U ten aanitoot,

Dat ik mij zeiven moest worden tot een last ? 81 Waarom neemt Gij dan mijn misdrijf niet weg ?

Waarom doet Gij dan mijne fchuld niet verdwijnen?

- Dan kan ik aanftonds neerliggen in het ftof; Dan zoekt Gij mij morgen vroeg, doch ik ben 'er niet meer.

VUL

Sluiten