Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. VIII. 3#

15 Hij fteunt op zijn huis doch het zal niet blij¬

ven ftaan;

Hij hecht 'er zich vast aan , doch het zal hem begeeven.

16 In frisfchen bloei voor het aanfchijn der

zonne ,

Verfpreiden zijne ranken zich weelig langs zijn' hof;

17 [Doch ziet] zijne wortels warren zich in een*

fteenhoop;

Hij vindt zich [geplaatst] in een rotfig verblijf. 3,8 Nu roeit men hem uit. Zijne plaatfe [erkent hem niet meer] En lochent, dat zij hem immer aanfchouwde.

19 Zie daar nu de vreugde van des huichelaars

leven ;

Nu fpruit de deugd uit het Hof weder op.

20 Zie! God verfmaadt niet den oprechten; Den kwaaddoenderen reikt hij de hand niet.

a 1 Ook nu nog zal hij uw mond met gelach , Uwe lippen vervullen met vrolijk gejuich.

32 Uwe haters zullen bekleed zijn met fchaamte, De woning der godlozen zal nergens meer zijn.

IX.

Sluiten