Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46 HET BOEK JOB. XIIL

XIII.

1 Zie! die alles aanfehouwde miin oog; Mijn oor hoorde en begreep her.

2 Zo wel als gijlieden, weet ik het ook: Voor niemand uwer behoef ik te zwichten.

3 Immers ftel ik mij dan liever met God ia

geding,

En bepleit mijne zaak bij den Almagtigen;

4 Want waarlijk gijlieden zijt leugenftofFeerders; Ellendige medicijnmeesters zijt gijlieden alle,

5 Ach kondet gijlieden tot zwijgen befluiten! Dan prees men daarin ten minften uwe wijsheid.

6 Hoort, bid ik ulieden, naar mijne berisping; Luistert naar den twist, dien ik met u moet

voeren.

7 Zult gij Gode eenen dienst doen met voort¬

brenging van valschheid, Of bedrieglijk fpreken ten zijnen behoeve?

8 Zult

Sluiten