Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

56* HET BOEK JOB. XV.

16 Hoe veel te minder den walgelijken , den be-

dorvenen mensch, Den man , die het misdrijf indrinkt, als water.

17 Wel aan ! hoor mij, ik zal u duidelijk lee-

ren;

Ik zal u verhaalen, het geen ik gezien heb;

18 Het geen de Wijzen hebben verkondigd,

En overgeleverd uit den mond van hunne Vaderen;

19 Van hun , wien alleen het land in bezit was

gegeven,

Zonder dat nog een vreemde daar door trok.

20 „ De godlooze [zeggen zij] is in dagelijk-

„ fchen weedom; „ Een aantal [rampvolle] jaaren is voor den „ geweldenaar weggelegd.

21 „ Eene flemme der verfchrikking is hem in

,, de ooren; „ Midden in den vrede valt de verwoester op „ hem aan.

22 „ Hij vertrouwt zich niet zijnen voet te ver-

„ zetten uit het duister;

„ Gods

Sluiten