Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

66 II E T BOEK JOB. XVIIL

3 Waarom rekent gij ons den beesten gelijk ? Waarom fchouwt gij ons zo afgrijfelijk dom?

4 Gij, wiens woede u zei ven verfcheurt,

Zal de aarde worden losgelaten ten uwen gevalle?

Zal eene rotfe gerukt worden uit haare plaats ?

5 Ja wel zekerlijk zal het licht der godloozen

worden uitgebluscht: Niet een vonkje van zijn vuur zal blijven glinfteren.

6 Het licht wordt duifternis in zijne tente; Uitgebluscht wordt de lampe , die hem be-

fcheen.

7 Eng worden de fchreden zijner magt; Zijne eigene aanflagen doen hem ter neer

ftorten.

8 Men laat hem zeiven met zijne voeten in het

net loopen; Zelve treedt hij op het wargaren.

9 De ftrik pakt hem bij de verfenen;

. - De knoopen van het net houden hem vast. io Zijn valftrik ligt verholen in den grond,

De

Sluiten