Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XIX 69

5 Moet gij mij daarom zo vermetel trotfeeren, En ftellen mij zo gretig mijne fchande voor

oogen?

6 Erkent toch, dat God mij [mijn recht] heeft

verkeerd,

En met zijn net mij rondom omfingelt. 1 Zie ! ik fchreeuw geweld , maar krijg geen gehoor;

Ik klaag, maar geen recht wedervaart mij. 3 Mijnen weg heeft hij mij omtuind, dat ik er

niet door kan; Hij heeft akelige duiiternis op mijne paden

gefteld.

9 Mijnen luifter heeft Hij mij afgerukt, En mij de kroon geworpen van het hoofd. ïo Rondom heeft hij mij losgewoeld. Zo gaa ik henen.

Mijne hoop heeft hij uitgeroeid, als een [welgewortelden] boom. 11 Zijne woede ftookt hij tegen mij aan,

En houdt mij voor den ergften zijner vijanden.

ia Met vereende krachten komen zijne benden,

E 3 En

Sluiten