Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

78 HET BOEK JOB. XXI.

Worden oud, en nemen toe in vermogen;

8 Hunne kinderen zien zij in welvaart geves¬

tigd;

Hunne fpruiten groeien weelig voor hunne oogen.

9 In hunne huizen is gerustheid zonder ver-

fchrikking; Hen treft geene roede van Gods toorn.

10 Hunne ftier befpringt, en misraakt niet; Hunne koe kalft, en heeft geenen misdragt.

11 Hunne kinderen laten zij, bij kudden vol, uit, Hunne jongens doen zij [rondom zich] huppelen.

ia Zij juichen bij trommels en cithers; Verheugen zich bij harpen geklank;

13 Zij flijten hunne dagen in voorfpoed; Dan dalen zij in een oogenblik ten grave.

14 Zij zeggen tegen God: wijk van ons weg! Ons lust het niet uwe bevelen te kennen :

15 Wat is de Almagtige , dat wij hem zouden

dienen;

Wat voordeel geeft het ons, dat wij hem te gemoct gaan;

16 Ziet »

Sluiten