Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HÉT BOEK JOB. XXII. 83

Den hongerigen onthielde gij het brood:

8 Maar de man van vermogen ! Die kreeg het

land;

De man van aanzien! Die mogt er in wooriem

9 De weduwen zondt gij troofteloos henen, De arm der weezen wierd door u verbrijzeld:

io Daarom zijn er nu ftrikken rondom u;

Schroomelijk verderf flaat ü plotfelijk neder, tl Of de duifternis [bezet u], zo dat gij niet zien kont;

Eene uitgefiortc watervloed overdekt u.

12 Is niet God hooger, dan de hoogte des he¬

mels ?

Zie de kruin van de fterren! Wat zijn ze verheven!

13 En daarom zeidet gij: „ Wat weet er God

van?

„ Kan hij door het donkere zwerk heen richten?

14 „ De wolken zijn hem een fchuüplaats; hij

ziet niet;

F u. >, Hij

Sluiten