Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XXII. 85

ast Welaan! ontfang de wet uit zijnen mond,

En leg zijne geboden in uw hart! »3 Zo gij tot den Almagtigen wéérkeert, hij zal u herftellen; Zo gij het onrecht van uwe tenten verwijdert:

24 Dan zal er goud komen in plaats van [dit]

ftof,

Ophirs goud voor de keijen der beken.

25 Dan zal de Almagtige zelve uw goud zijn,

En uw uitgelezenfte zilver.

26 Dan zult gij u in hem verlustigen;

Dan zult gij uw gelaat verheffen tot God.

27 Hem zult gij fmeken; hij zal u verhoren; Gij zult [hem] uwe geloften betalen.

a8 Welke zaak gij befluit, zij zal u tot ftand komen;

Helder zal het licht fchijnen op uwe wegen.

29 Men heeft u vernederd, doch gij bleeft ftout in uw fpreken; Maar den weemoedigen herfielt hij in de

ruimte.

F 3 30 Zelfs

Sluiten