Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET 'BOEK JOB. XXIII. 87

6 Immers wil hij niet met overmagt tegen mij

twisten;

Neen: voorzeker hij zoude op mij acht flaan.

7 Daar zoude de rechtfchapene met hem in

geding komen; De zegepraal mijner zaak zoude ik volkomen verwerven.

8 Maar ziet! Gaa ik oostwaards, hij is er

niet!

Gaa ik westwaards, ik word hem niet gewaar !

5) Hij verbergt zich in het noorden ; daar aanfchouw ik hem niet! Hij bedekt zich in het zuiden ; daar zie ik hem niet!

ïo Echter kent hij mijnen wandel; hij heeft mij beproefd. [Zuiver] als goud, kwam ik uit [den fmeltkroes].

11 Mijn voet bleef beftendig^op zijn fpoox; Ik hield zijnen weg, en floeg niet ter zijde.

12 Zijne geboden wischte ik niet uit [mijn hart], Zijne bevelen befloot ik in mijnen boezem.

F 4 13 Maar

Sluiten