Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

po HET BOEK JOB. XXIV.

6 Hun voeder oogften zij in langs de velden; Den wijnberg der godloozen lezen zij af.

7 Naakc overnachten zij zonder kleeding; Zij hebben geen dekfel tegen de koude.

8 Van de ftortregens der bergen worden zij nat; Zonder fchuilplaats, omgrijpen zij de rotfen.

9 Daar rukt men het weesken van de borst; Den zuigeling des armen neemt men te pand.

10 Den naakten laat men lopen zonder kleeding; Die de fchooven dragen laat men verhonge-

ren.

11 Tusfchen de muuren des wijngaards verfmelt

hen de zon; Zij treden de wijnpers en verfmachten van dorst.

12 Daar zuchten menfchen, omdat er geen wraak

is;

- Daar fchreeuwt het bloed der verflagenen [om verzoening]; Maar God {laat geen acht op hun klagen.

13 Daar vindt men wederftrevers van het dag¬

licht;

Zij kennen geene wegen des daags,

En

Sluiten