Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

p2 HET BOEK JOB. XXIV.

Ontoeganglijk het fpoor hunner wijngaar* den ?

10 Gelijk droogte en brandende hitte het fneeuw-

water,

Moest zo niet het graf deeze kwaaddoeners wegtrekken ?

20 Dat zij, van hunne moeder, die hen baarde.

vergeten,

Ten zoeten fpijze waren aan het gewormte Dat nimmer meer hunner gedacht wierd! Dat zij als een boom geveld lagen -— die boozen!

21 Die de onvruchtbaare kinderlooze kwellen, Der weduwe nimmer eenig goed doen.

22 Wier overmagt zelfs de Merken omverrukt: Verzet men zich [tegen hen] , men is zijns

levens niet zeker.

23 Echter geeft God hun gerustheid en veiligen

lteun,

Schoon zijne oogen hunnen wandel aanfehouwen.

24 Zij blijven in de hoogte. In een oogenblik

zijn ze niet meer;

Ver-

Sluiten