Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XXIX. 103 XXIX.

i Verder vervolgde Job zijn verheven gedicht dus:

% Ach ware ik als in de maanden van ouds, Als in de dagen, toen God mij behoedde!

3 Toen zijne lamp over mijn hoofd fcheen, Zijn licht mij veilig deed gaan in het duister;

4 Gelijk ik was in de rijpheid mijnes levens, Toen God in mijne tente gemeenzaam verkeerde ;

5 Toen de Almagtige mij nimmer verliet,

En ik mijne kinderen fteeds om mij heen zag;

6 Toen ik mijne voeten waschte in melk, Oliebeken uit de hardfte rots voor mij droomden.

7 Ging ik ftedewaarts uit naar de poort, Vestigde ik mijnen zetel op de markt;

G 4 8 Dan

Sluiten