Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

106 HET BOEK JOB. XXX.

Zij deeden mijn helder gelaat niet betrekkeri, 25 Wilde ik bij hen komen , dan zat ik boven aan;

Veilig , als een Koning fe midden van zijn heir.,

Als een, die aan treurigen troost geeft* XXX.

1 Nu belagchen mij jongere knaapert, Wier vaders ik niet verwaardigen zou 4 Óm hen bij de honden mijner kudde tè plaatfen.

a Ja wat nut zou mij doen de kracht van hun' arm?

[Hunne kracht,] zij is ganschlijk vergaan!

3 Arm en verhongerd, der kaale rotfe gelijk, Beknagen zij de dorre woestijn;

Dat volk ten uiterften Woest en berooid.

4 Zij eeten de ziltige bladen der heesters; En wortels van Rotem zijn hun töt voedfel.

5 Men

Sluiten