Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XXX L 115

Mijne fchuld in mijn' boezem bedekte;

34 Zo doe de geweldigde ontzetting mij beven! Zo verbrijzel mij de hoon der gedachten! Zo ga ik, verdommend, ter deure nooit uit!

35 Och ware 'er [een fcheidsman] die mij wou

hooren!

Zie dit is mijn wensch : de Almagtige geve

mij antwoord! Ach dat mijn partij een klaagfchrift opdelde?

36 Voorwaar op mijn' fchouder zou ik het dra¬

gen;

Ik zou 't als eene kroon op mij binden;

37 'k Zou hem elke mijner fchreden vertoonen; Als een vorst zou ik voor hem verfchijnen.

38 Zo immer mijn land heeft gefchreid tegen

mij;

Zo ooit deszelfs vooren hebben geweend;

39 Zo ik ooit deszelfs vruchten genoot zonder

loon,

Of immer den landman deed zuchten;

40 Zo drage mijn akker doornen voor koorn, Vergiftig onkruid voor gerst.

Hier hield Job op.

H 2 XXXII.

Sluiten