Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

122 HET BOEK JOB. XXXIIL

26 Dan bidt hij; en God is hem gunftig. Dan verfchijnt hij juichend voor God;

Die hem zijn' [voorigen] welftand terug gaf.

27 Dan hoort men hem openlijk zingen: „ Ik zondigde en krenkte het recht, „ Maar Hij vergold het mij niet.

28 „ Hij bevrijdde mij , dat ik niet daalde in

„ het graf, „ Nu ontfang ik het licht des levens terug.

29 Twee , driemaal doet God dit al aan een'

mensch,

30 Opdat hij hem redde van 't graf, Opdat hem het licht des levens beftraale.

31 Hoor Job! en luister naar mij;

Zwijg, wijl ik nog meer heb te zeggen:

32 Of hebt ge iets te zeggen , antwoord mij

dan;

Want u te verdeedigen is Hechts mijn wensch.

33 Zo niet, hoor dan toe;

Zwijg, daar ik u wijsheid zal leren.

XXXIV.

Sluiten