Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

152- HET BOEK JOB. XLI,

Zij vlugten vol angst voor hem weg. 17 Trekt men 't zwaard tegen hem , het is niet bedand,

Zo weinig als de lans , of de fpies, of de Pijl-

ï8 Het ijzer acht hij als hooi,

Het koper, als hout, dat verrot is.

19 Geen fchicht doet hem vlugten j

De dingerdeen is hem een droohalm.

20 Als een' droohalm acht hij de knods, En hij lacht met het dingeren der lans.

21 Den grond beploegt hij met vooren,

En plaatst [zich als] eene dorschflede op 't flijk.

22 De zee doet hij bruisfchen , als een' zieden*

den ketel;

Als een' fchuimenden zalfpot maakt hij het meer.

23 Achter hem fchktert zijn pad;

De zee fchijnt zijn grijze fchedel te zijn.

24 Geen gezach op aarde is gelijk aan het

zijne;

Naar-

Sluiten