Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET BOEK JOB. XLII. 155

thiet het bevel van God Jehova; en Jehova verhoorde de voorbidding van Job.

10 Toen nu Job dus voor zijne vrienden bad, bevrijdde hem Jehova uit zijne rampen , en gaf hem zelfs eens zo veel als hij te vooren

11 bezeten had. Ook bezochten hem alle zijne broeders en zusters, benevens allen , die hem te vooren gekend hadden, welke aan zijnen disch onthaald, hem beklaagden en vertroostten over het leed, dat Jehova hem had aangedaan , en hem tevens elk eene Kefchita en een' gouden ring ten gefchenke gaven.

12 En Jehova maakte den lateren leeftijd van Job gelukkiger, dan den vroegeren; naardien hij veertien duizend fchaapen , zesduizend kemelen, duizend paar osfen, en

13 duizend ezelinnen bezat. Daarteboven had hij zeven zoonen en drie dochters , van welke hij de eene Jemima , de tweede Kezia,

15 de derde Keren - happuch noemde, wier fchoonheid in geheel het land haar gelijk

niet

Sluiten