Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r48 AANMERKINGEN.

zin der woorden , welke Job volgens Elihu' zou gezegd hebben komt dan hier op neder: God is te hoog verheven , dan dat ik , nietig mensch, hem door mijne deugd eenig voordeel, of door mijne ondeugd eenig nadeel zou konnen aanbrengen; en wat kan der halven de reden zijn , dat hij zich zo veel aan mij laat gelegen liggen om mij zo zwaar te ftraf en? Job had dit wel niet uitdrukkelijk gezegd; maar hij had verfcheiden uitdrukkingen gebruikt, waaruit Elihu meende te konnen afleiden , dat deeze zijne meening was. Zo had hij bij voorbeeld gezegd. Hoofdd.VII. 17, 18.

„ Wat is de mensch, dat Gij hem zo groot „ acht,

„ Dat Gij ter harte neemt u tegen hem te

„ verzetten? „ Dat gij hem eiken morgen [met rampen]

„ bezoekt,

„ leder oogenblik hem [door onheil] beproeft?

Men zie ook Hoofdd. VI. 11 —13 , VIL 6—12. IX. X. 5, 6. XVI. 1, 2, 3. Vatten wij het dus öp, dan zien wij tevens voor eerst een' zeer gefchikten famenhang tusfchen vs. 2 en 3, namelijk in dezer voege: lk ben rechtvaar-

Sluiten