Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i66 AANMERKINGEN.

vs. 16. Den klippigen grond van de zee. Zo vertale ik het moeielijke Hebreeuwfche woord met A. S. Ook komt dit zeer wel overeen met hetgeen de Natuuronderzoekers ons van den grond der zee, als uit veele klippen , bergen , en rotfen beftaande , zeggen , waaromtrend men meer kan zien bij meijer , ïn zijne Aanmerkingen op scheuchzers Bijbel der Natuur, PIL Deel, bladz. 303.

vs. 17, Het Doodsrijk was volgens de denkbeelden der ouden beneden de aarde , onder de zee , en deszelfs ingang aan het einde van de zee. Men ziet dit ook bij homerus. En misfehien komt het hiervandaan , dat het Doodsrijk onmiddelijk na de diepe afgronden van de zee vermeld wordt.

VS. 19. Van waar komt het licht en de duisternis ? Op welk eene wijze wisfelen beide met eikanderen af"?

vs. 20. Wederom eene ironie , even gelijk Vs. 5 , gefchikt om Job te brengen tot eene ootmoedige erkentenis van zijne geringheid, onkunde , en magteloosheid. In het eerfte lid volg ik met den Heer greve de leezing der LXX Overzetteren. vs. 54»

Sluiten