Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANMERKINGEN. 193

Toen fchijnen zijne vrienden in hunne dwaaling over het ongelijk bellier der Godlij ke Voorzienigheid gebleven te zijn: alleen Job had berouw , en billijkte Gods bellier. Hoe zeer hem dan zijne vrienden als eenen booswicht hadden uitgekreeten, uit hoofde der rampen, die hem waren overgekomen; God evenwel eert hem nu, omdat hij, van zijnen dwaalweg terug gekomen , nu beter oordeelt, dan zij allen. .

vs. 11. Men heeft hier gefchenken te verftaan , welke Job , volgens de Oosterfche gewoonte, gebracht werden om hem te vereeren.

Wat eene Kefita is, weet men tot nog

toe niet: misfchien is het iets, dat, even eens als de ringen, tot den opfchik behoorde. Althans dergelijke dingen gebruikte men tot zulke eergefchenken. Zie Gen. XXIV. 22. XLV. 22., om nu geene voorbeelden uit ongewijde Schrijvers, die in meenigte voorhanden zijn, aantevoeren.

vs. 14. De naamen der dochteren van Job zien allen op haare fchoonheid. Jemima zou ik liefst vergelijken met het Arabifche Jemamah, eene tortelduif', kezia is zo veel als [ N ] Kasfie,

Sluiten