Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2o ii Overd. 't Misbruik der leere van de

§. 4-

Maar Gods openbaringen zijne geene fneeuwbergen, die door de ftraalen der zon verfmolten worden, waar toe men dezelve maar al te dikwijls maaken wil, zij zijn zaadkorrels, die zich ontwikkelen, en honderdvoudig vermeerderd worden, wanneer de zon haar koestert. Even zoo als men in de lente uit eertige vroege bloemen zien kan, wat 'er van alle de anderen worden zal; zoo ftraalt hier ook voor

eerst maar in eenige menfchen , Gods wijsheid, Gods kracht, Gods liefde, Gods beeld inzonderheid door. Jofeph en Mofe, Jofua en Gideon, Elias en Elifa, en zoo veele anderen? met den Geest van God vervulde mannen, wisten, 't geen zij alleen door God weeten, deeden 't geen zij alleen door God doen, werkten, 't geen zij alleen door God werken konden. Zij waren plaatsbekleeders der Godheid in hlinnen

kring -— het beeld van God droegen zij!

En op de volmaaktfte wijs droeg de mensch Jefus Christus het uitgedrukte beeld van Gods wezen! nooit, niettegenftaande alle die gefchiedenisfen, zou men hebben kunnen gelooven, dat in het wezen van een mensch zoo veel kon gevonden worden, dat zulk een Godlijke wijdheid uit zijn mond voordvloeien, zulk eene Godlijke kracht door hem betoond worden, zulk eene Godlijke liefde uit zijne oogen ftraalen kon, als men dit alles in Jefus gezien heeft. En op dat men nu niet denke, dat Hij de eenigfte in zijn zoort was; dat Hem niemand konde evenaaren, dat het geen van Hem gold, volftrekt van geen mensch kon gelden ,

Sluiten