Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voortreflijkh. der menfch. natuur. 25

waardig zijn, gij verdiende, dat Hij u uit zijn huis ftiet, wanneer gij deeze liefde zoo misbruikte. En waarlijk! zulk een is zeker geen goed mensch, die juist daarom niet naar gelijkvormigheid aan God en Christus ftreeven wil, om dat hij 'er toe beftemd is, om het beeld van God en Christus te dragen.

§. 8.

Zeer natuurlijk, en met het menschelijke hart overeenkomftig , zijn de oogmerken , waar toe ons God onze beftemming liet openbaaren, en elk redelijk denkend mensch ziet van zelfs in, welk een gebruik hij daar van moet maaken : zien moeten wij welk eene groote liefde ons de Vader beweezen heeft, dat wij zijne kinderen zouden genaamd worden. Op ons zeiven moeten wij een oog vestigen en zien , wat wij zijn, wat wij verdienen, hoe oneindig ver wij van God verwijderd zijn tot

God moeten wij onze oogen opheffen. -— Zijne grootheid, macht, wijsheid , zijne heiligheid, gelukzaligheid moeten voor onzen geest z weeven, in zoo verre zij voor eenen naauw beperkten menfchen geest kunnen zweeven. En dan moeten wij gevoelen, welk eene groote belofte het zij: Gij zult kinderen van dien God

worden, kinderen en erfgenaamenl! Hem

zult-gij lief zijn en zeer na aan het hart liggen , zoo als een kind zijnen Vader lief is en hem

zeer na aan het hart ligt zijne voedfter-

lingen zult gij zijn, en onder zijne befcher-

ming, onder zijne leiding zult gij deelge-

nooten zijner macht, zijner wijsheid, zijner B 5 groot.

Sluiten