Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

52 iv. Overd. Over het misbruik

wie zal mij verlosfen ? en, Ik danke God door Jefus Christus!

§ 5-

Het is dus een misbruik een met den Bijbel hoogst ftrijdend misbruik, wanneer een redelijk, naar eenvouwig vereerer van Christus zich verbeeldt, dat hij zijne dagen in droefheid over zijne zonden moet doorbrengen, dat hij de kleinfte zonde even zoo fterk moet beklaagen, als de diepgezonkenfte zondaar zijne grootfte boosheden beklaagt; wanneer hij zich de droefheid als een hoofdplicht van het Christendom voorfchrijft , wanneer hij troostloos is over het gebrek aan droefheid, en zich dan reeds voor bekeerd houdt, wanneer hij gevoelt, dat 'er niets geheels in hem, maar dat hij geheel en al verdorven zij. Hier van leezen wij niets bij Jefus, noch bij zijne Apostelen; veelmeer hebben zij ten fterkfte het tegendeel geleerd. Het is waar, zij vermaanen tot bekeering, tot verbetering van hart en wandel, tot berouw over de zonden, die zekerlijk zonder droefheid niet wel kan plaats hebben. Maar is het dan daar bij eenigzints hunne meening , dat de mensch altijd in zulk eene gefteldheid moet blijven? of zijn de Christenen, van de welken de Bijbel melding maakt , altijd zoo gebleeven? Ook zij moesten toch langs den zelfden weg tot eene waarachtige verbetering geraaken; — Petrus had Jefus verlochend; Paulus had de Christenen allerhevigst vervolgd, buiten twijfelfmertte hun dit, toen zij zulks gevoelden, en hoe

na-

Sluiten