Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Leerftuk des Goloofs in $efus g$

dezelve; of hij gevoelt eene neiging, om voor Jefus iets te doen , voor Jefus iets te werken , en hem wordt de kracht en de gelegenheid om te werken gefchonken, maar

nu laat de mensch het daarbij berusten,

verheugt zich over de gave, over de kennis,

over de kracht, over de verhooring,

maar denkt 'er niet aan, om Jefus nader te leeren kennen, om vaster op Hem te betrouwen, of

zich zijner beter ten nutte te maaken,

kan zulk een zich beroemen, het waare geloof in Jefus te bezitten? zeker eene groote, eene dankbaarheid waardige gave ontving hij van Jefus; hij ontving iets, dat hem verder kon brengen , zo hij 'er een recht gebruik van maakte. O! mij dunkt, men kan alles doen, alles verdraagen , alles lijden, wanneer men de kracht van Jefus, en het leeven van Jefus bij bevinding kent. Maar het wordt gegeeven, om 'er gebruik van te maaken. Even daarom is zulk een Jefus even zoo weinig welbehaagelijk, als een mensch Gode welbehaagelijk is, om dat hij gaven en talenten ontving, maar dezelve niet naar Gods wil aanwendde. Hij zou overvloed hebben, zo hij die gaven wel gebruikte; maar hij verliest ook dat geen, dat hij heeft, zo hij dezelve niet gebruikt. En wanneer zulk een mensch eens zal zeggen: Hebt gij mij niet verhoord ? mij niet deze kennis , die kracht gegeeven ? Ook tot zulk eenen zal Jefus zeggen: Ik ken u niet ! —- En noch zwaarer zal hij het hebben , dan anderen, wijl hij meer dan duizenden ontving : Wien veel gegeeven is, bij dien zal veel gezocht worden , G 2 en

Sluiten