Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

k Leerftuk van den bijftand van deii. H. G. 113

Ook zij eene wijsheid bezitten, die Hij bezat , in hun zou dezelfde Geest werkzaam zijn, die in Hem werkzaam was. Vrij natuurlijk, dat zij, die menfchen, deze krachten verwachteden, om dezelve baden, dat zij geloofden, hun doel niet eerder bereikt te hebben, dan voor dat zij dezelve hadden ontvangen. Nog natuurlijker was huune begeerte, daar zij daaden moesten verrichten, die zij met hunne gewoone krachten niet konden verrichten; daar zij eene wijsheid noodig hadden, die zij niet bezaten, om dat te volbrengen, het geen de wil en het bevel van hunnen Heer was. Hier van daan hunne verwachting, hunne begeerte, hun gebed om buitengewoone krachten van den Geest! Alles was een gevolg van de gefteldheid, waarin zij waren, van hun beroep, van het bevel en van de uitdrukkelijke beloften van hunnen Heer. Dit alles was ver van dwee-

perij. Maar wij hebben zulk een

buitengewoon beroep niet, als zij hadden; geene dingen, die onze krachten zoo ver te boven gaan, te volbrengen; door voorbeelden rondom ons, door uitdrukkelijke beloften aan ons, wordt deze begeerte, deze verwachting niet zoo natuurlijk in ons, als in hun verwekt. Het is eene gemaakte behoefte, eene gekunftelde, dweepachtige verwachting, wanneer wij op buitengewoone gaven van den Geest ons oog vestigen, en om dezelve bidden. Wij moeten gezind zijn ,

zoo als Jefus gezind was; wij moeten in ons beroep als mensch , als burger, als Christen werken , met dien geest, waar mede Jefus H zijn

Sluiten