Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii4 vin. Overd. Over het Misbruik van

zijn groot beroep op deze aarde volbracht. — Meer vordert God en Jefus niet van ons. — Streeven wij dierhalven daar naar, om ons beroep getrouw te volbrengen; gelooven wij daarbij aan de algemeene belofte van den Goddelijken Geest en bijftand, van welke ons Jefus en zijne Apostelen door hun onderricht verzekerd hebben; dan moogen wij zeker in bijzondere gevallen wijsheid verwachten, en om wijsheid bidden, waar ons wijsheid ontbreekt, kracht tot het goede verwachten, en om kracht tot het goede bidden , wanneer wij dezelve niet in ons vinden, en om hulp, waar wij dezelve noodig hebben; maar om kracht tot het verrichten van buitengewoone daaden kunnen wij niet denken, om dat wij tot dezelve niet geroepen zijn ; het kan ons niet in de gedachten komen, in ernst, en met een vast vertrouwen daarom te bidden, wijl wij zonder uitwendige wonderkrachten doen en zijn kunnen, het geen wij doen en zijn moeten. Het ftreeven naar buitengewoone krachten van den Geest in onze dagen is een bewijs, dat wij de geringfte kracht van God niet waardig zijn ; en elke kracht van God zekerlijk misbruiken zouden, wijl het ons niet om de vervulling van ons beroep, om de bereiking van de 'beftemming of om de veredeling van onzen geest te doen is, maar om opzien te maaken, en onzen Godsdienftigen hoogmoed te bevreedigen. En als God ons nu zulk eene kracht gave, dan zouden wij zeker op dien grooten dag ons beroemen, in zijnen naam groote daaden verricht te hebben, maar Hij zou zeker ook tot

ons

Sluiten