Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128 ix. Overd. Over het Misbruik van 'de

die de waereld der Geesten zeer naauwkeurig kende, zegt het ons: dat de Duivel de Moordenaar reeds van het begin af geweest zij; dat hij in de waarheid niet is Jïaande gebleeven, door dien 'er geen waarheid in hem was ; ( ) Een gezegde, waar mede Jefus op niets anders dan die gefchiedenis kan doelen, wanneer men Hem geene onverftaanbaare woorden in den mond wil leggen. In een der oudfte boeken van den Bijbel komt een wezen voor , het geen machtig en boosaartig is, maar onder God ftaat; dien eene groote macht is gegeeven, maar wiens macht door God paal en perk gefteld is; het geen op den mensch en 's menfchen lot invloed heeft, het geen menfchen van God aftrekken, dierhalven verleiden en ongelukkig maaken kan ; ( ) met één woord: De Duivel, met alle die hoofdtrekken, waar mede hij ons in den Bijbel wordt voorgefteld. In de oude Heilige Schutten vinden wij nog meer fpooren van dezen verleider, (t) maar duidelijk en bepaald heelt Tefus van hem gefproken en tegen hem zich verzet. Hij zegt tot zijne Discipelen, het geen zij niet wisten, en ook niet konden weeten • ïk zag den Satan van den Hemel als een blikfem vallen; (tt) Hij geeft zijnen Discipelen de macht: ziektens te geneezen, en Duivelen uit te drijven; (§) in dat plechtig voorftel van het laatfte oordeel fpreekt Hij de Godloozen aan: Gaat weg van mij, gij vervloek-

(*) Toan. VIII: 44- C^H#ta' v ,a ff) i Chron. XXII: I. (tt) Luc. X: iS. (§; Mare. UI: i5«

Sluiten