Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

148 x. Overd. Over het Misbruik van

en verlochening, het zaligende der liefde door zijn voorbeeld aantoonen. En nu worden zij door eenen gantsch anderen geest en gezindheid beftierd en leevendig gemaakt. Nu kan de mensch doen, wat hij wil; maar hij begeert niets anders te doen, dan Jefus wil. Men behoeft hem niets te beveelen, te verbieden, ftraf te dreigen, hem door uitwendige plechtigheden in den band te houden; - in hem zeiven is lust tot alles, wat

van Jefus bevolen en verboden kan worden. Men behoeft hem niet van dingen en plaatzen af te houden, die verleidend voor hem kunnen zijn; hij zelf heeft 'er een afkeer van. Het Gebed, het leezen van den Bijbel, het Avondmaal gaan behoeft men hem niet tot een plicht te maaken; het is het fterkendfte , het weldadigst genot voor hem. Hem behoeft men niet eerst te beveelen , zich met de voorfchriften van Jefus bekend te maaken; hij is niet gerust, voor en al eer hij de gezindheid-van Hem kent, aan welken zijn hart verkleefd is. Gevallig, dienstvaardig, geduldig, liefderijk jegens anderen te zijn, dit kost hem niets; zijne gantfche gezindheid ftrekt zich daar toe uit, om Jelus zijnen Heer gelijkvormig te worden. De menfchen zijn hem waardiger, zijn hem liever, om dat Jefus een vriend der menfchen was. Volgens zijne gedachten is hij nooit gevallig, dienstvaardig, geduldig, liefderijk

|enoeg. Zeker moet hij ook nog ftrij-

den; ook hij gevoelt nog vleefchelijke gezindheden , nog zonden in zich. Maar tegen dat vleesch te ftrijden, hetzelve geen gehoor

te

Sluiten