Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

< 133 )

önze eerfte beftemming was, onzen handel te drijven. De zwarte Onder-koning van Fida had ons Boden te Popo toegezonden, om ons te verwittigen, dat wij, in weinig tijd, ons Carjo tegen Negers bij hem. konden verhandelen. Men had, te vooren, ook juist niet de beste gedagten nopens den handel aan de rivier Gab boon gehad , om dat men de bewooners eeniglijk van de flegte zijde kende. Doch thans beflóot men, eens eene proef te neemen, daar men, federt menfchen geheugen, zig niet herinneren konde, dat. de Deenen hier Koophandel hebben gedree» ven. Men bragt de Waaren in het Engelfche Fort aan land; ik posteerde mij als Factoor daar bij, en de Brigantijn zeilde weêr na ons Hoofdfort terug, om mij met meer en voor deze plaats beter gefchikte Waaren van daar te verzorgen.

Dg

ongemeen kleine, elendige en ziekelijke menfchen» over wier afzigtige gelaatstrekken ik menigmaal verzet ftond. Een Jongen van omtrent 15 jaaren, van meer roode, dan zwarte kleur, met hairen ter langte van een duim over het geheele lighaam, van dezelfde kleur als het lighaam, had eenen na vooren uitfteekenden mond, en voor het overige geleek hij meer na den Ora-ng Utang, dan na een mensen; yijn verftand was,, naar gelange van zijn lighaamsgcftel, zeer gering.

13

Sluiten